Gezondheid en zorg



« Ga terug naar het folderoverzicht

Rabies (hondsdolheid)

Rabiës (hondsdolheid), is een virusinfectie van het zenuwstelsel en de hersenen, die altijd dodelijk afloopt als er niet snel behandeld wordt. Het is dan ook van het grootste belang de ziekte te voorkomen. Het virus wordt verspreid door speeksel van besmette zoogdieren.

Voorkomen: Hondsdolheid komt in de hele wereld voor maar vooral in Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Ook in landen als Turkije en Marokko loopt u risico.

Besmetting met het virus: Het virus bevindt zich in het speeksel van besmette zoogdieren zoals honden, katten, apen of vleermuizen. Het is niet altijd te zien of deze dieren besmet zijn. Sommige dragen het virus bij zich zonder er zichtbaar last van te hebben. Het is in elk geval verdacht wanneer een dier onrustig of agressief is. Ook is het verdacht als een schuw dier dat niet meer is (dat lijkt juist zo leuk).

Het virus wordt overgebracht door een beet, krab of lik van een besmet dier. Via wondjes in de huid of de slijmvliezen (ogen, mond) dringt het virus het menselijk lichaam binnen. Eenmaal in het zenuwstelsel doorgedrongen, zal het virus hondsdolheid veroorzaken en is genezing niet meer mogelijk.

De ziekte

Symptomen: De verschijnselen van rabiës zijn rillingen, koorts, gebrek aan eetlust, misselijkheid, braken en hoofdpijn. Daarna nekstijfheid, stuiptrekkingen en verlammingen. Uiteindelijk raakt de patiënt in coma en overlijdt.

Behandeling: Behandeling na een beet, krab of lik van een mogelijk besmet dier is noodzakelijk. De wond moet goed worden schoongemaakt met water en zeep en ontsmet worden met betadine of alcohol. Zoek snel medische hulp, het liefst binnen 24 uur in een groot ziekenhuis. Een injectie met antiserum is nodig en een serie van 5 injecties van het rabiësvaccin. Verder is antibiotica nodig.

Als u vooraf bent gevaccineerd moet u ook behandeld worden, maar u heeft dan geen antiserum nodig (wat vaak moeilijk te krijgen is buiten grote ziekenhuizen) en minder vaccinaties (2 in plaats van 5).

Preventie: Om de kans op besmetting te verkleinen is het volgende van belang:

  • Vermijd contact met zoogdieren (met name apen en honden)
  • Raak zeker geen zieke of dode dieren aan
  • Let vooral op bij kleine kinderen die over de grond kruipen en zo gemakkelijk met honden en katten in contact kunnen komen.
  • Vaccinatie

Vaccinatie: Een vaccinatie (3 injecties in 3 tot 4 weken tijd) is voor een gewone reiziger alleen te overwegen bij een reis van langer dan 3 maanden naar een land met een hoog risico, waar antiserum niet direct beschikbaar is. Het voordeel van een vaccinatie is dat er geen antiserum nodig is na een beet.

Er zijn reizigers die meer risico op beten lopen en dus gevaccineerd kunnen worden:

  • Personen die gaan werken in de risicolanden en intensief met zoogdieren in aanraking komen adviseren wij zich te laten vaccineren. Dit zijn bijvoorbeeld dierenartsen of biologen.
  • Fietsers en grotonderzoekers hebben meer kans gebeten te worden door honden of vleermuizen. Een vaccinatie kan worden overwogen.

Bescherming: Een serie van 3 vaccinaties gegeven op dag 1-7 en 21 tot 28 geeft 2 jaar bescherming. Er zijn verschillende manieren om later een herhalingsprik te krijgen.

Bij mensen met een afweerstoornis kan door bloedonderzoek bekeken worden of er voldoende afweerstoffen zijn aangemaakt.